Thee voor mijn vader
Ik denk aan de typische manier
waarop hij ‘tea’ zegt, met de
tanden zichtbaar op elkaar in afwachting.
Het is niet zijn moedertaal noch zijn
geliefde drank, daarom heeft het iets
exotisch, zowel het woord als het
ding. Hij vraagt er herhaalde malen om gedurende
de dag, maar enkel in de ochtend en ‘s namiddags. Meestal om hem te helpen met werken.
Hij heeft zijn thee graag heel sterk, met room,
en in mokken, en hij doet er zelf suiker bij.
Hij zet de mok op de vensterbank vóór zijn
Tafel, en laat de thee koud worden.
Later kom ik langs en giet het weg.
(1979)
Michael Hofmann (°1957), in zijn bundel ‘Approximately Nowhere’ (Londen, 1999). Zijn vader was de Duitse romanschrijver Gert Hofmann, die met het gezin in 1961 naar Engeland verhuisd was.
* * *
Omdat het deze week ‘Gedichtendag’ was, nog iets van de dichter:
Wie zou kunnen hebben gezegd dat wij bij
elkaar hoorden,/ mijn vader en ik, al wandelend, met de handen/ achter op onze rug op de manier door Goethe aanbevolen?
Michael Hofmann, in ‘Acrimony’ (Londen, 1986)
* * *
De hele week lang al hoor ik in mijn hoofd de woorden van Carl vorige zondag: “Hé, daar is mijn vader!”
Ooit moet ik diezelfde woorden ook gezegd hebben bij het zien van mijn eigen vader – ‘Hé, daar is mijn vader!’ Destijds de gewoonste zaak.
Vriend Carl en ik zijn in hetzelfde jaar geboren. Hij is afkomstig uit Lier en wilde ons zijn geboortestad tonen. We wandelden zondagnamiddag met vrouwen en kinderen op de Lierse vesten. Links van ons zag ik een merkwaardig gebouw in oriëntalistische stijl. Een verwezenlijking van zijn grootvader, architect, legde Carl uit – zijn vader zou daar veel meer over weten te zeggen, gaf hij toe.
We wandelden een beetje verder en plots ontdekten zijn ogen toevallig de figuur van zijn vader, in gesprek met enkele mensen: “Hé, daar is mijn vader!” zei Carl.
Wie zou gezegd hebben dat zij bij elkaar hoorden, zijn vader en hij? Terwijl ze een praatje met elkaar sloegen, bestudeerde ik de gezichten van de twee. Ik schatte zijn vader op ongeveer zeventig; bleek dat hij 83 was. Hij zou ons op onze wandeling door Lier verder vergezellen.
Op stap zijn met je vader... voor Carl was het de gewoonste zaak. Ik duizelde bij de mogelijkheid – mijn vader stierf 23 jaar geleden - en probeerde het me opnieuw in te beelden. Vandaag wandelen met mijn vader, wat zou ik er niet voor doen om dat nog eens te kunnen meemaken... Vroeger waren wij elke zondagnamiddag samen op pad – weer of geen weer – in de bossen van Bokrijk, handen op de rug, zoals Goethe...
* * *
Op de radio hoorde ik een ontroerend stukje muziek met cello’s. Welke componist? Ik vond de titel van de cd terug op het internet – ‘Dances for 6’, met zes Zuid-Afrikaanse cellisten. Het stukje dat me zo ontroerde was van een zekere Ronald G. Petersen. Ik bestelde de cd op het internet, een week later zat hij in m’n brievenbus. Ik herkende het fragment - ‘Adagio et valse’, uit ‘Three Dances for Six’ - maar de ontroering bleef uit. Misschien omdat ik de cd vandaag in handen heb en er zo dikwijls als ik wil naar kan luisteren. Op de radio was het een vluchtige ervaring, van muziek die ik misschien nooit meer zou horen. Kostbare seconden. Maakte dat het verschil?
Ik speelde het stukje opnieuw en opnieuw. Prachtige muziek, maar de ontroering liet zich voorlopig niet meer vangen, tot ik op de cd-doos de naam van Petersen zag met zijn geboorte- en sterfdatum: 1971-2001. Geboren in ’71 - hij had mijn zoon kunnen zijn. In het cd-boekje leerde ik dat Petersen aan aids gestorven was. Ik had een zoon kunnen hebben die als dertigjarige aan aids was overleden. Wie zou kunnen hebben gezegd dat het niet kon?
* * *
Mijn vader is bijna een kwart eeuw geleden overleden. Het voelt lang aan. Misschien ook omdat de wereld zo veranderd is sinds toen. Wat zou mijn vader over de val van de Muur gezegd hebben? Over de euro?
Vandaag heeft ieder huishouden een waar mediacentrum onder dak, toen was dat niet zo. Ik heb geen video van mijn vader, zelfs geen audio-cassette met een opname van zijn stem. Dat schept het gevoel van een grote afstand in de tijd.
* * *
Ik heb zondag veel van mijn wandeling met Carl en zijn vader genoten. Zijn vader is niet die van mij, maar hij had wel mijn vader kunnen zijn. Het kon, vertel ik mezelf. Ik had zondag het voorrecht dat ik Carls vader enkele uren lang als vader mocht lenen.
Naast mijn dierbare bloedeigen vader heb ik in mijn leven nog vele vaders mogen hebben. Mijn schoonvader bijvoorbeeld, en mijn vriend Julius – oud-collega aan de universiteit en een poosje medecolumnist voor deze krant, weet u nog? Julius was van 1920, hetzelfde jaar als mijn vader. Hij had zelf twee zonen en noemde mij ‘zoon nummer drie’. Wie zou kunnen hebben gezegd dat wij niet bij elkaar hoorden?
* * *
Vóór mijn vrouw en ikzelf ouders werden, waren er kinderen van vrienden voor wie we dezelfde bezorgdheid en affectie voelden als later voor onze eigen zonen. Tzion – die hier twee weken geleden zijn tekeningen over Gaza publiceerde – is zo’n ‘geadopteerde’ zoon van ons. Wie zou kunnen zeggen dat wij niet bij elkaar horen?
* * *
We wandelden verder, door het begijnhof van Lier. Aan de straatmuren hingen afbeeldingen van de Kruisweg - van Christus, zoon van zijn vader, u weet wel.
Wat een mens ook mag denken van de theologie die achter die soms enge afbeeldingen zit, de idee dat we allemaal dezelfde vader hebben, spreekt mij zeer aan. Wie zou kunnen zeggen dat wij niet bij elkaar horen, mijn vader en ik?
Good luck en tot ziens.
Ik denk aan de typische manier
waarop hij ‘tea’ zegt, met de
tanden zichtbaar op elkaar in afwachting.
Het is niet zijn moedertaal noch zijn
geliefde drank, daarom heeft het iets
exotisch, zowel het woord als het
ding. Hij vraagt er herhaalde malen om gedurende
de dag, maar enkel in de ochtend en ‘s namiddags. Meestal om hem te helpen met werken.
Hij heeft zijn thee graag heel sterk, met room,
en in mokken, en hij doet er zelf suiker bij.
Hij zet de mok op de vensterbank vóór zijn
Tafel, en laat de thee koud worden.
Later kom ik langs en giet het weg.
(1979)
Michael Hofmann (°1957), in zijn bundel ‘Approximately Nowhere’ (Londen, 1999). Zijn vader was de Duitse romanschrijver Gert Hofmann, die met het gezin in 1961 naar Engeland verhuisd was.
* * *
Omdat het deze week ‘Gedichtendag’ was, nog iets van de dichter:
Wie zou kunnen hebben gezegd dat wij bij
elkaar hoorden,/ mijn vader en ik, al wandelend, met de handen/ achter op onze rug op de manier door Goethe aanbevolen?
Michael Hofmann, in ‘Acrimony’ (Londen, 1986)
* * *
De hele week lang al hoor ik in mijn hoofd de woorden van Carl vorige zondag: “Hé, daar is mijn vader!”
Ooit moet ik diezelfde woorden ook gezegd hebben bij het zien van mijn eigen vader – ‘Hé, daar is mijn vader!’ Destijds de gewoonste zaak.
Vriend Carl en ik zijn in hetzelfde jaar geboren. Hij is afkomstig uit Lier en wilde ons zijn geboortestad tonen. We wandelden zondagnamiddag met vrouwen en kinderen op de Lierse vesten. Links van ons zag ik een merkwaardig gebouw in oriëntalistische stijl. Een verwezenlijking van zijn grootvader, architect, legde Carl uit – zijn vader zou daar veel meer over weten te zeggen, gaf hij toe.
We wandelden een beetje verder en plots ontdekten zijn ogen toevallig de figuur van zijn vader, in gesprek met enkele mensen: “Hé, daar is mijn vader!” zei Carl.
Wie zou gezegd hebben dat zij bij elkaar hoorden, zijn vader en hij? Terwijl ze een praatje met elkaar sloegen, bestudeerde ik de gezichten van de twee. Ik schatte zijn vader op ongeveer zeventig; bleek dat hij 83 was. Hij zou ons op onze wandeling door Lier verder vergezellen.
Op stap zijn met je vader... voor Carl was het de gewoonste zaak. Ik duizelde bij de mogelijkheid – mijn vader stierf 23 jaar geleden - en probeerde het me opnieuw in te beelden. Vandaag wandelen met mijn vader, wat zou ik er niet voor doen om dat nog eens te kunnen meemaken... Vroeger waren wij elke zondagnamiddag samen op pad – weer of geen weer – in de bossen van Bokrijk, handen op de rug, zoals Goethe...
* * *
Op de radio hoorde ik een ontroerend stukje muziek met cello’s. Welke componist? Ik vond de titel van de cd terug op het internet – ‘Dances for 6’, met zes Zuid-Afrikaanse cellisten. Het stukje dat me zo ontroerde was van een zekere Ronald G. Petersen. Ik bestelde de cd op het internet, een week later zat hij in m’n brievenbus. Ik herkende het fragment - ‘Adagio et valse’, uit ‘Three Dances for Six’ - maar de ontroering bleef uit. Misschien omdat ik de cd vandaag in handen heb en er zo dikwijls als ik wil naar kan luisteren. Op de radio was het een vluchtige ervaring, van muziek die ik misschien nooit meer zou horen. Kostbare seconden. Maakte dat het verschil?
Ik speelde het stukje opnieuw en opnieuw. Prachtige muziek, maar de ontroering liet zich voorlopig niet meer vangen, tot ik op de cd-doos de naam van Petersen zag met zijn geboorte- en sterfdatum: 1971-2001. Geboren in ’71 - hij had mijn zoon kunnen zijn. In het cd-boekje leerde ik dat Petersen aan aids gestorven was. Ik had een zoon kunnen hebben die als dertigjarige aan aids was overleden. Wie zou kunnen hebben gezegd dat het niet kon?
* * *
Mijn vader is bijna een kwart eeuw geleden overleden. Het voelt lang aan. Misschien ook omdat de wereld zo veranderd is sinds toen. Wat zou mijn vader over de val van de Muur gezegd hebben? Over de euro?
Vandaag heeft ieder huishouden een waar mediacentrum onder dak, toen was dat niet zo. Ik heb geen video van mijn vader, zelfs geen audio-cassette met een opname van zijn stem. Dat schept het gevoel van een grote afstand in de tijd.
* * *
Ik heb zondag veel van mijn wandeling met Carl en zijn vader genoten. Zijn vader is niet die van mij, maar hij had wel mijn vader kunnen zijn. Het kon, vertel ik mezelf. Ik had zondag het voorrecht dat ik Carls vader enkele uren lang als vader mocht lenen.
Naast mijn dierbare bloedeigen vader heb ik in mijn leven nog vele vaders mogen hebben. Mijn schoonvader bijvoorbeeld, en mijn vriend Julius – oud-collega aan de universiteit en een poosje medecolumnist voor deze krant, weet u nog? Julius was van 1920, hetzelfde jaar als mijn vader. Hij had zelf twee zonen en noemde mij ‘zoon nummer drie’. Wie zou kunnen hebben gezegd dat wij niet bij elkaar hoorden?
* * *
Vóór mijn vrouw en ikzelf ouders werden, waren er kinderen van vrienden voor wie we dezelfde bezorgdheid en affectie voelden als later voor onze eigen zonen. Tzion – die hier twee weken geleden zijn tekeningen over Gaza publiceerde – is zo’n ‘geadopteerde’ zoon van ons. Wie zou kunnen zeggen dat wij niet bij elkaar horen?
* * *
We wandelden verder, door het begijnhof van Lier. Aan de straatmuren hingen afbeeldingen van de Kruisweg - van Christus, zoon van zijn vader, u weet wel.
Wat een mens ook mag denken van de theologie die achter die soms enge afbeeldingen zit, de idee dat we allemaal dezelfde vader hebben, spreekt mij zeer aan. Wie zou kunnen zeggen dat wij niet bij elkaar horen, mijn vader en ik?
Good luck en tot ziens.
