Het is volbracht. Woensdag vier november 2008 om stipt elf uur ‘s avonds slaakten duizenden mensen op Times Square een zucht van verlichting. Want op dat moment verschenen op alle reusachtige tv-schermen, anders gevuld met reclame, de nu al historische woorden: Barack Obama, president-elect. Blijdschap, euforie zelfs, het hing allemaal knetterend in de lucht. Maar als er één gevoel overheerste bij de New Yorkers, dan was het toch opluchting.
Want ook al voorspelden de peilingen dagen eerder dat Obama zou winnen, niemand in New York was er gerust in. “Na alles wat er misging voor de democraten bij de vorige verkiezingen durven we niet meer”, zei de mevrouw die naast me stond op Times Square. “Ik zal vannacht voor het eerst in lange tijd weer goed kunnen slapen.” Het meest gehoorde woord was dan ook: unbelievable. We kunnen het niet geloven.
En toen moest het mooiste moment van de avond nog komen. Vanaf elf uur verzamelden steeds meer mensen in de straten. De politie zorgde er lange tijd voor dat de gele taxi’s nog door konden, een overgelukkige zwarte taxichauffeur bood zelfs gratis ritjes aan. Maar uiteindelijk kon de politie niet op tegen de massa. Elke vierkante centimeter van Times Square, een van de drukste kruispunten van New York, was volgepakt toen Barack Obama iets na middernacht op de reclameborden verscheen om zijn overwinningstoespraak te geven.
Dat is dan ook het moment dat mij het meest zal bijblijven. In Amerika houden ze wel van grootse woorden en gebaren. En op afstand is het gemakkelijk om dat als nuchtere Europeaan af te doen als ‘Amerikanen die weer eens overdrijven’. Maar toen ik zelf tussen al die mensen stond, vond ik dat niet zo vanzelfsprekend meer. Kippenvel kreeg ik van de manier waarop Obama erin slaagde om, op de nacht van zijn grote overwinning, de hand uit te steken naar de tegenpartij. En ik was niet de enige. Duizenden mensen op Times Square herhaalden de woorden van de jonge zwarte man op het scherm: Yes, we can.
Pas op dat moment besefte ik hoe persoonlijk deze verkiezingen zijn voor veel zwarte Amerikanen. Natuurlijk is het een historisch moment. Maar voor de african-americans, en bij uitbreiding voor alle andere minderheden, is het veel meer dan dat. Het is het ultieme bewijs dat zij meetellen, niet langer tweederangsburgers zijn. Dus toen ik de volgende dag naar de bakker ging, liep het in Harlem vol met stralende gezichten.
De straatverkopers probeerden nog gauw de laatste Obama-merchandise te verkopen. “Koop hier je speldjes, petjes en T-shirts. Ik heb er ook een voor jou, schat!” Waarop de mevrouw achter me antwoordde: “We don’t need a hat anymore, we’ve got the man now.” Wie heeft er nog een petje nodig, nu de echte Barack het Witte Huis intrekt?
